Vaak gaan partijen ervan uit dat er nog geen overeenkomst is, zolang partijen de overeenkomst niet hebben getekend. Maar ondertekening van een overeenkomst is niet altijd vereist, zo bepaalde de rechtbank Rotterdam.

Samenwerking

BLNDR is een specialist op het gebied van greenscreen fotomarketing. Aircommerce (AC) houdt zich bezig met het bedenken van proposities en reclamecampagnes voor luchthavens en de luchtvaart.

In 2017 heeft AC voor vertrekhal 1A van Schiphol een concept ontwikkeld. Het gaat om een kubus met zes greenscreens. In een kubus kunnen passagiers digitale foto’s van zichzelf maken tegen een wisselende achtergrond. Die foto’s kunnen gedeeld worden via sociale media.

AC benadert BLNDR voor de techniek. Partijen stellen in juni 2017 eerst een intentieverklaring op, waarin de uitgangspunten van hun samenwerking zijn opgenomen. Een van de bepalingen in de intentieverklaring luidt als volgt:

‘Deze verklaring behelst geen overeenkomst en rechten ontstaan pas nadat een overeenkomst tussen partijen is ondertekend waarin over essentiële elementen overeenstemming is bereikt.’

In juli 2017 stuurt BLNDR een offerte, een service level agreement en algemene voorwaarden. Partijen hebben overleg en passen de overeenkomst aan

In de tussentijd zijn de systemen van BLNDR ingebouwd in de kubussen. 2 kubussen op Schiphol, 1 kubus op een internationale beurs in Cannes. De kubussen functioneren niet probleemloos. Partijen hebben veel overleg over de problemen en mogelijke oplossingen. Vanaf december zijn ook de openstaande facturen onderwerp van gesprek.

Conflict

Op 13 december 2017 stuurt BLNDR de aangepaste versie van de offerte en de bijlagen ter ondertekening. Op 16 januari 2018 geeft AC een automatische incasso af voor de betaling van de maandelijkse vergoeding. Vanaf februari blijven betalingen uit. Na diverse aanmaningen kondigt BLNDR aan dat zij de systemen op zwart zal zetten als betaling niet voor 30 maart binnen is. Zo gezegd, zo gedaan. BLNDR bericht dat zodra de betaling van februari, maart en april binnen is, zij de systemen weer zal inschakelen.

Op 6 april mailt AC:

‘Wij hebben eerder duidelijk aangegeven dat wij een opschorting van jullie dienstverlening beschouwen als definitieve beëindiging van onze samenwerking. Wij constateren dat er onvoldoende basis is om tot een overeenkomst te komen.’

Op 15 augustus ontbindt de advocaat van AC de overeenkomst(nogmaals), voor zover daarvan sprake zou zijn.

Vordering

Bij de rechter vordert BLNDR betaling van de onbetaalde facturen en een schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming van AC. BLNDR stelt dat partijen een overeenkomst voor de levering van de drie kubussen hebben gesloten.

AC is van mening dat er geen overeenkomst is tussen partijen, omdat zij zijn blijven steken in de onderhandelingsfase. Er is immers geen getekende overeenkomst. En voor zover de rechter oordeelt dat er wel sprake is van een overeenkomst, dan heeft AC deze overeenkomst rechtsgeldig opgezegd per 6 april en voor de zekerheid nogmaals op 15 augustus 2018.

Oordeel rechter

De rechter heeft twee vragen te beantwoorden:

  1. Is er een overeenkomst tot stand gekomen?
  2. Zo ja, heeft AC die overeenkomst dan rechtsgeldig beëindigd?

In de oorspronkelijke intentieverklaring is opgenomen dat er geen rechten en verplichtingen over een weer zullen zijn zonder een getekende overeenkomst. De rechter komt echter tot de conclusie dat er toch sprake was van een overeenkomst tussen partijen, om de volgende redenen:

  • Uit de diverse mailwisselingen blijkt dat de overeenkomst wat beide partijen betreft ondertekend kon worden;
  • Ook de automatisch incasso is ondertekend;
  • AC benoemt ook geen enkel onderwerp waar partijen het mogelijk nog niet over eens waren. Alleen tot ondertekening is het nooit gekomen;
  • Partijen hebben uitvoering gegeven aan de overeenkomst door het plaatsen van de kubussen en samen te werken aan de oplossing van de storingen;
  • Door uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken zijn partijen stilzwijgend voorbijgegaan aan de schriftelijkheidseis die in de intentieverklaring was opgenomen.

Een en ander doet niets af aan het feit dat er problemen met de kubussen waren. Uit de e-mailwisseling tussen partijen blijkt dat partijen de problemen op 21 februari 2018 nog als kinderziekten beschouwden. AC legt niet uit hoe dit ‘ineens’ kon omslaan in een situatie waarin van AC niet langer gevergd kon worden dat zij doorging met dit project. Volgens de rechter is er dus geen sprake van een tekortkoming die ontbinding zonder ingebrekestelling rechtvaardigt.

Conclusie

Ondertekening van de overeenkomst is dus niet altijd vereist om er aan gebonden te zijn. De inhoud van een overeenkomst wordt niet alleen bepaald door wat partijen op schrift stellen, maar ook door hoe zij zich gedragen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat ondertekening de duidelijkheid tussen partijen zeker ten goede komt.

Behoefte aan overleg over een samenwerking of een contract? Bel of mail me gerust voor een kop koffie en overleg.

Meer lezen?

Mag een softwareontwikkelaar mij zomaar laten zitten?

Onze leverancier doet niet wat hij moet doen