Partijen starten vaak vol enthousiasme met een samenwerking. Dat enthousiasme zorgt er vaak ook voor dat er te weinig aandacht wordt besteed aan het maken van goede afspraken. Hoe pijnlijk dat kan uitpakken, blijkt uit deze zaak.

Samenwerking

Partij A heeft vanaf 1990 een databank ontwikkeld waarin (auto)motoren en (auto)motoronderdelen zijn gerubriceerd. Hij exploiteert deze databank vanuit zijn eenmanszaak Enginedesk. Begin 2013 is Partij A met Partij B en C in gesprek geraakt over de verkoop van de databank. Partijen willen een nieuwe website te ontwerpen die ook mobiel geraadpleegd kan worden.

Op 21 februari 2014 wordt Enginedesk B.V. opgericht. Alle drie de partijen worden aandeelhouder en bestuurder. Na oprichting verkoopt Partij A de databank, alsmede de handelsnaam “Enginedesk” aan de BV. De koopovereenkomst bepaalt dat de BV de koopsom schuldig blijft. Deze schuld wordt uit de winst voldaan zodra dat redelijkerwijze mogelijk is.

Naast de oprichting van de BV leggen zij ook hun samenwerking vast in een aandeelhoudersovereenkomst. In die overeenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. ‘Het is partijen verboden om zonder schriftelijke toestemming van de vennootschap, direct of indirect, enig belang te hebben in, of betrokken te zijn bij, of werkzaam te zijn voor, of adviezen te geven aan een persoon of rechtspersoon die producten of diensten levert gelijk of gelijksoortig aan de diensten die door de vennootschap of haar dochtervennootschappen worden geleverd. De partij die het concurrentiebeding overtreedt verbeurt een boete van € 10.000, te vermeerderen met € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.’

In augustus 2014 is de nieuwe website actief. Partij A zet op dat moment ook al zijn abonnementen vanuit zijn eenmanszaak over op het nieuwe systeem. Aan zijn klanten laat hij weten dat ‘Enginedesk’ is omgezet in ‘Enginedesk B.V.’

Winst blijft uit

Het lukt de BV niet om winst te maken. Partij B en C betalen Partij A geruime tijd uit eigen middelen maandelijks € 2.000. Na enkele jaren stoppen zij daarmee. Op 28 juni 2017 schrijft Partij A dat hij geen inkomen meer heeft en actie moet ondernemen. Hij schrijft zijn compagnons dat hij zijn klanten weer zelf gaat factureren voor het gebruik van de website.

Op 5 september 2017 sommeren Partij B en C dat Partij A het handelen in strijd met het non-concurrentiebeding moet staken en maken aanspraak op de boete. Pogingen van partijen om tot een minnelijke regeling te komen mislukken.

De rechtbank honoreert de vorderingen van Partij B en C. De boete vanaf 20 juni 2017 tot de start van de procedure (26 juni 2018) ter hoogte van € 195.000 en € 500 voor elke dag nadien, totdat Partij A het handelen in strijd met het non-concurrentiebeding staakt, is toegewezen.

Hof

Anders dan de rechtbank ziet het hof ziet wel reden tot matiging van de boete op basis van de volgende overwegingen:

  • Partij A heeft zich onverminderd ingespannen voor het onderhouden en uitbouwen van de databank;
  • De BV heeft geen winst kunnen maken omdat de verwachtte toestroom van nieuwe abonnementen uitbleef;
  • Het uitblijven van winst is deels te wijten aan het gebrek aan marketingactiviteiten. Deze zouden voor rekening van Partij B en C komen;
  • Na het stopzetten van de maandelijkse betalingen van € 2.000 ontstond een problematische financiële situatie voor Partij A. Partij A heeft hierover ook open kaart gespeeld. Partij B en C hebben hierop echter niet gereageerd;
  • Het boetbedrag is binnen korte tijd opgelopen tot € 200.000 en blijft oplopen zolang Partij a het concurrentiebeding schendt. Dit bedrag staat in geen enkele verhouding tot de inkomsten van Partij A.

Het hof matigt de boete daarom tot € 81.000, het bedrag dat al door Partij B en C aan Partij A is betaald. De boete van € 500 per dag dat de schending van het concurrentiebeding voortduurt blijft echter overeind vanaf het moment van de uitspraak van het hof. Partij A eindigt dit avontuur dus met lege handen, geen databank, geen koopprijs en geen verdiencapaciteit.

Conclusie

Partij A is deze samenwerking vermoedelijk aangegaan met bepaalde ideeën over de opbrengsten daarvan. Het had hem in elk geval in staat moeten stellen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het resultaat was echter heel anders. De winst was onvoldoende om de koopprijs te voldoend, hij kreeg geen arbeidsvergoeding en ook van uitkering van dividenden was geen sprake. Ik vraag me af of Partij A überhaupt heeft stilgestaan bij de vraag wat er zou gebeuren als de opbrengsten minder positief zouden zijn als vooraf bedacht. Als je zo afhankelijk bent van dat inkomen, is dit wel een hele risicovolle stap om te nemen.

Dit is waar het in veel samenwerkingen misgaat. Partijen hebben een bepaald idee en hebben daar ook hoge verwachtingen van. Ze staan er echter niet bij stil dat de zaken wel eens anders gaan dan voorzien. En als het uitsluitend om een investering gaat, kun je als deelnemer zeggen ‘Pech gehad’. Als de opbrengsten van de samenwerking jou in je levensonderhoud moeten voorzien, is het wel een ander verhaal.

Moet je dan geen samenwerkingen meer aangaan dan? Geenszins. Maar het is wel heel belangrijk om te bespreken met welk verwachtingen je de samenwerking aangaat en vooral ook wat jullie doen als die verwachtingen niet uitkomen. We willen ten slotte allemaal een boterham op ons bord. Laat je samenwerking niet op zo’n pijnlijke manier eindigen.

Behoefte aan overleg over een overeenkomst? Neem gerust contact op. Dan drinken we een kop koffie.

Uitspraak hof

Meer lezen?

Einde samenwerking, grote gevolgen

Samenwerking voor ontwikkeling software