Zolang partijen het nog niet helemaal eens zijn over de afspraken die zij willen maken voor hun samenwerking, zullen zij een contract ook niet ondertekenen. Betekent dat dan dat je je altijd kunt terugtrekken uit de onderhandelingen? Nee, zo werkt het ook niet altijd.

De Hoge Raad heeft in 2005 geoordeeld dat in beginsel ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is. De vraag is dan: Onder welke omstandigheden is dat vertrouwen gerechtvaardigd en mogen onderhandelingen niet meer worden afgebroken.

Over die vraag heeft de Rechtbank Rotterdam zich onlangs gebogen.

De partijen

Opdrachtgever is een stichting die zich bezighoudt met de begeleiding van het betalingsverkeer in de reisbranche en het veiligstellen van gelden bestemd voor reisorganisatoren en reisagenten. Om dit te bereiken houden zij onder andere een Stichting Bankrekening in stand. Het doel is om de financiële risico’s van reizigers in het geval van faillissement van de reisorganisatie te verkleinen.

De leverancier is een onderneming die zich bezighoudt met betalingen via een escrowsysteem. Zij had al eerder een beveiligd betaalsysteem via escrow opgezet voor een concurrent van opdrachtgever.

De feiten

Partijen hebben op 11 juni 2015 een ontwikkelovereenkomst gesloten met betrekking tot de ontwikkeling van een online platform. Partijen spreken af dat het platform getest, geaccepteerd en dus klaar voor gebruik is op 30 september 2015. In de overeenkomst is verder opgenomen dat partijen voor de periode na de ontwikkeling van het online platform een exploitatieovereenkomst zullen aangaan.

Op 2 oktober 2015 laat de leverancier weten dat hij de opleverdatum van 30 september 2015 niet haalt. Leverancier wijt de vertraging aan het gebrek van kwaliteit van het werk van een onderaannemer van de leverancier, aanvullend overeengekomen functionaliteiten en in het systeem te verwerken uitzonderingen. Opdrachtgever is hiermee niet gelukkig, maar partijen komen een uitstel tot 30 november 2015 overeen.

In het overleg op 9 november 2015 wordt de oplevering voor acceptatie van het platform opnieuw uitgesteld. In januari gaat er een pilot draaien.

Hoewel partijen in de periode van november tot april wel in gesprek zijn geweest over een af te sluiten exploitatieovereenkomst is er geen overeenstemming bereikt.

Op 1 april 2016 stelt opdrachtgever de leverancier in gebreke. In april onderhandelen partijen over een beëindigingsregeling, maar zonder resultaat. Bij brief van 1 mei 2016 deelt opdrachtgever leverancier mee dat zij van mening is dat leverancier in verzuim is. Bij brief van 23 juni deelt opdrachtgever mee dat hij het project beëindigt en de pilot stopzet. Opdrachtgever is van mening dat:

  • Leverancier toerekenbaar is tekortgeschoten
  • De fatale oplevertermijn niet is gehaald
  • De oplevering niet correct heeft plaatsgevonden;
  • Discussies over meerwerk en veiligheidsissues hebben de relatie tussen partijen verder doen verstoren.

In vervolg daarop vordert opdrachtgever schadevergoeding van de leverancier. Leverancier vordert betaling van de nog openstaande rekeningen en een schadevergoeding voor het afbreken van de onderhandelingen over de exploitatieovereenkomst.

De rechter

In de eerste plaats stelt de rechter vast dat beide partijen de overeenkomst inmiddels als ontbonden beschouwen. Zij handelen daar nu ook naar. De overeenkomst wordt sinds juni 2016 niet meer nageleefd door partijen. Ook wenst geen van partijen voortzetting van de overeenkomst. De vraag is dan ook of en zo ja in hoeverre er sprake is van een tekortkoming aan de ene dan wel de andere zijde. En aan wie een verwijt te maken valt en wat de consequenties daarvan zijn.

In de eerste plaats stelt opdrachtgever dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de leverancier, omdat het werk niet klaar was op 30 september 2015. In de overeenkomst wordt immers uitdrukkelijk gesproken van een resultaatsverbintenis (ik garandeer het resultaat) in plaats van een inspanningsverbintenis (ik zal mijn best doen). De rechtbank oordeelt echter dat hier geen sprake is van wanprestatie. Partijen zijn weliswaar een fatale datum overeengekomen, maar het stond hen wel vrij om later afwijkende afspraken te maken. Hetgeen partijen ook gedaan hebben.

Het vervolg

In de visie van leverancier was het systeem op 19 november klaar om te worden getest voor acceptatie. Opdrachtgever doet echter in eerste instantie niets, omdat er onduidelijkheden bestaan over de testcriteria. Uiteindelijk is tot februari 2016 getest. Omdat leverancier niet kan opleveren als opdrachtgever niet test en accepteert, komt het uitblijven van de oplevering volgens de rechter hier voor rekening van opdrachtgever.

Uiteindelijk in april beslist opdrachtgever in negatieve zin over de oplevering, omdat de testresultaten aangaven dat het programma niet aan de gestelde eisen voldoet. Volgens de rechtbank heeft opdrachtgever onvoldoende gemotiveerd dat het programma niet voldoet. In zijn oordeel speelt een rol dat het programma sinds 15 februari 2016 naar behoren draaide bij een reisorganisatie.

De rechter komt tot de conclusie dat geen van de argumenten die opdrachtgever aandraagt een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen.

De exploitatieovereenkomst

In de ontwikkelovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat zij na de ontwikkeling van het platform een exploitatieovereenkomst zouden aangaan. Partijen hebben daarover ook onderhandeld, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Volgens de rechter blijkt duidelijk uit alle stukken dat er nog geen overeenstemming bestond over de belangrijkste onderdelen van het contract.

De vraag is dan of het opdrachtgever vrij stond om de onderhandelingen af te breken. Bij de vraag of het afbreken van onderhandelingen is toegestaan, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. In beginsel is ieder van de onderhandelende partijen vrij om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is.

In dit geval bestond het gerechtvaardigd vertrouwen bij de leverancier in beginsel op basis van de ontwikkelovereenkomst zelf. Daarin was immers een verplichting tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst opgenomen. En aangezien partijen alle verplichtingen in de overeenkomst als resultaatsverbintenis hebben aangemerkt, geldt dat ook voor de verplichting tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst. De rechter is dan ook van oordeel dat het opdrachtgever niet vrij stond om de onderhandelingen af te breken. Opdrachtgever mocht de verzoeken van leverancier om de onderhandelingen voort te zetten daarom ook niet negeren.

Inmiddels zijn de verhoudingen tussen partijen dusdanig verstoord, dat geen van beide partijen nog heil ziet in een verdere samenwerking. Geen van beide partijen voldoende grond heeft om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Daarom geeft de rechtbank een verklaring voor recht dat de ontwikkelovereenkomst is ontbonden met wederzijds goedvinden. Leverancier heeft wel recht op een schadevergoeding, omdat opdrachtgever de onderhandelingen over de exploitatieovereenkomst heeft gestaakt. Naast deze financiële strop staat opdrachtgever ook nog eens met lege handen. Het online platform zou immers als SaaS-dienst worden aangeboden. Hierover ging de exploitatieovereenkomst.

Conclusie

Tijdens de onderhandelingen over een overeenkomst kun je een punt bereiken waarop de overeenkomst nog niet helemaal rond is, maar je als onderhandelingspartij niet meer de mogelijkheid hebt om de onderhandelingen te beëindigen. Vanaf dat punt ben je eigenlijk verplicht om de onderhandelingen voort te zetten en een overeenkomst aan te gaan. Beëindig je de onderhandelingen toch, dan ben je een schadevergoeding verschuldigd. Wanneer je het ‘point of no return’ bereikt, is altijd weer anders. In het hierboven besproken geval was dat punt al vrij vroeg bereikt, namelijk op het moment dat de ontwikkelovereenkomst werd getekend, waarin de verplichting tot het aangaan van de exploitatieovereenkomst was opgenomen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *